Visualiseren en karakteriseren van weefselafwijkingen in MS

Belang

Op beelden van MRI-scans zijn slechts een deel van de MS-laesies (aangedane gebieden) te herkennen. Het onderzoek van Laura Jonkman richt zich op het beter visualiseren van afwijkingen in de hersenen van mensen met MS door gebruik te maken van geavanceerde MRI technieken. Het kunnen onderscheiden van typen laesies en (sub-)vormen van MS is belangrijk voor de diagnose en behandeling van de ziekte.

Methode

Post-mortem (na overlijden) onderzoek speelt een belangrijke rol in het onderzoek. Eerst zijn met behulp van microscopie MS-laesies geïdentificeerd. Vervolgens zijn de aangedane gebieden teruggezocht in bijbehorende MRI-beelden. Zo ontstaat er een duidelijk beeld van wat de MRI wél en niet kan laten zien. Laura heeft MS-laesies in zowel witte als grijze stof in beeld gebracht en gekarakteriseerd door middel van genetische, histopathologische en MRI technieken. Om de afwijkingen beter zichtbaar (en dus detecteerbaar) te maken, zijn specifieke MRI sequenties en veldsterkten onderzocht.

Resultaten

Vijf verschillende soorten MRI beelden, ook wel sequenties genoemd, zijn bij twee MRI-veldsterkten (3 Tesla en 7 Tesla) met elkaar vergeleken. Er wordt aangenomen dat op een hogere veldsterkte meer details zichtbaar zijn. Voor twee (van de vijf) MRI-sequenties (namelijk z.g. T2* en FLAIR sequenties) blijkt dat inderdaad dat er meer MS laesies zichtbaar zijn bij 7T dan bij 3T. Binnen één veldsterkte, zowel op 3T als 7T, is er geen specifieke sequentie waarbij meer afwijkingen zichtbaar zijn. Het maakt dus weinig uit welke sequentie wordt gebruikt binnen een veldsterkte.

Zonder microscopische informatie, zelfs bij de hoogste veldsterkte van 7T, worden slechts 30% van de laesies geïdentificeerd. Echter, wanneer beoordelaars ook beschikking hebben over de microscopische informatie van hetzelfde weefsel, worden tot 84% van de laesies gevonden. Dit laat zien dat de mogelijkheid om laesies te detecteren aanwezig is, maar dat deze mogelijkheid nog niet altijd volledig benut wordt. Het extra trainen van MRI-beoordelaars, zoals radiologen en wetenschappelijk onderzoekers, zou deze mogelijkheden kunnen bevorderen.

Tenslotte zijn er tijdens het onderzoek ook verschillende kwantitatieve MRI-technieken onderzocht die een toegevoegde waarde lijken te hebben naast bovengenoemde conventionele MRI-sequenties. Voordat de MRI-technieken in de patiëntenzorg gebruikt kunnen worden, zijn nog een aantal verificatiestappen nodig.

Impact

Het onderzoek van Laura laat zien dat het mogelijk is om afwijkingen in de hersenen van mensen met MS in MRI-beelden op te sporen, maar dat deze mogelijkheid nog niet altijd volledig wordt benut. Extra trainen van MRI-beoordelaars zou tot beter gebruik van deze mogelijkheden kunnen leiden. 

 

 

Laura Jonkman (VU, Amsterdam) PR16-1

Promotiedatum: 17 februari 2016