Dat onvoorspelbare karakter maakt MS ingewikkeld. Niet alleen voor mensen die ermee leven, maar ook voor artsen die de ziekte willen behandelen. Hoe volg je een ziekte die zich zo verschillend kan gedragen? En hoe zie je op tijd of een behandeling werkt? Precies dáár richtte Zoë haar promotieonderzoek op: manieren om MS beter te meten.
Vingerafdrukken in het bloed
Op 5 september verdedigde Zoë haar proefschrift over een veelbelovende tool mede dankzij een subsidie van Stichting MS Research: biomarkers in het bloed. Je kunt een biomarker zien als een vingerafdruk die in het bloed achterblijft wanneer er in de hersenen of het ruggenmerg iets verandert. Net als een rookmelder die al afgaat vóór je de vlammen ziet, kunnen biomarkers vroegtijdig waarschuwen dat er iets misgaat in de hersenen en het ruggenmerg.
Tot nu toe volgen artsen MS vooral met jaarlijkse neurologische testen en MRI-scans. Dat levert nuttige informatie op, maar vaak pas laat. “Vooral de sluipende achteruitgang die bij veel mensen met MS optreedt, is met die methodes lastig te vangen”, zegt Zoë. “En juist dáár is nog geen goede behandeling voor.” Een simpele bloedtest kan dat veranderen.
“Zo kunnen we sneller en vaker in beeld brengen hoe MS zich ontwikkelt en of een behandeling aansluit. Dat zou de zorg voor mensen met MS echt vooruithelpen.”
De link met hersenkrimp en achteruitgang
In haar onderzoek keek Zoë naar drie specifieke biomarkers in het bloed: NfL, GFAP en CNTN1 (contactine-1). Van NfL en contactine-1 wisten we al dat ze iets kunnen zeggen over achteruitgang bij MS. Maar blijft dat ook zo wanneer iemand wordt behandeld met een medicijn als natalizumab, dat het afweersysteem onderdrukt? Dat was nog niet eerder onderzocht.
Zoë zag een vergelijkbaar effect. “NfL in het bloed liep opvallend gelijk op met hersenkrimp op de scans.” Bij contactine-1 zagen Zoë en collega’s iets anders: lage waarden aan het begin van de behandeling voorspelden juist een snellere achteruitgang later. Ook bleek dat lage niveaus van NfL en GFAP een hint gaven over hoe goed iemand op de behandeling reageerde.
Belangrijk om te weten is dat dit onderzoek verbanden toont, geen oorzakelijke relaties. Vergelijk het met een thermometer: die stijgt als iemand koorts heeft, maar veroorzaakt de koorts niet. Toch geeft de thermometer waardevolle informatie over wat er in het lichaam gebeurt.
Toepassingen in de praktijk
Zo’n bloedtest klinkt misschien nog als toekomstmuziek, maar eerder ingrijpen bij MS komt zo steeds dichterbij. Zoë legt uit: “Als we NfL, GFAP en misschien ook CNTN1 standaard zouden meten tijdens gangbare doktersbezoeken, levert dat minder belasting op voor mensen met MS. “Tegelijkertijd krijgen artsen beter zicht op hoe een behandeling aanslaat.”
Samen sterker
Voor Zoë zat de winst niet alleen in de resultaten, maar ook in de samenwerking. Ze werkte zij aan zij met experts uit de neurochemie, immunologie, anatomie en radiologie. “Als arts weet ik alles van neurologische testen, maar complexe analyses in het lab? Dat is niet mijn terrein. Juist door onze krachten te bundelen kwamen we verder dan ooit.”
Hoop voor de toekomst
Zoë wil zich de komende jaren verder specialiseren tot MS-neuroloog. In 2028 rondt ze haar opleiding af. “Over vijf jaar hoop ik dat we veel meer weten over ziekteprogressie. Dat is nu nog het grote zwarte gat in MS. Als we dat beter begrijpen, kunnen er ook betere behandelingen komen. En ik blijf de werkzaamheden van arts en onderzoeker combineren, want juist die wisselwerking maakt dat je echt verschil kunt maken voor mensen met MS.”
Disclaimer: de bloedtest is nog niet beschikbaar in de dagelijkse klinische zorg. Het onderzoek laat zien wat er in de toekomst mogelijk kan zijn, maar eerst is meer validatie nodig voordat het breed ingezet kan worden.
Ook eerder onderzoek van Wing Hee Fung en Mark Wessels wijst op de voorspellende waarde van deze biomarkers. Zij zagen dat ze iets kunnen zeggen over ontstekingen ná het stoppen met MS-medicatie. Meer hierover lees je bij het MS Centrum Amsterdam.